Co-regulatie

Soms voelt een gymzaal speels, motiverend en uitnodigend; op andere momenten zijn al die prikkels juist overweldigend. Vermoeidheid, een gevoel van onveiligheid en stress kunnen ervoor zorgen dat executieve functies tijdelijk blokkeren. Wanneer de spanning oploopt, heeft zelfs een volwassene meer moeite met zelfregulatie. Bij kinderen, die nog volop in ontwikkeling zijn, is dit effect vanzelfsprekend nog sterker.

Het gedrag van kinderen staat nooit los van de context. Wat je ziet in de gymzaal of op het plein ontstaat altijd in samenhang met wat een kind lichamelijk voelt, emotioneel ervaart en in zijn omgeving tegenkomt. Het is een optelsom van prikkels, gevoelens en verwachtingen waarmee een kind op dat moment probeert om te gaan. Executieve functies bewegen hierin mee en helpen een kind om te sturen, te remmen en te focussen. Wanneer er veel tegelijk verwerkt moet worden, komen deze functies onder druk te staan. Dit uit zich vaak in gedrag dat als verstorend wordt ervaren: kinderen roepen door de uitleg heen, reageren heftig emotioneel of kunnen niet stilzitten. Dit gedrag is geen onwil, maar een signaal van overbelasting. Het kind aanspreken op het gedrag zal het probleem dan ook niet oplossen en vergroot vaak juist de spanning.

In plaats daar van kan de leerkracht zijn rol als co-regulator vervullen; als iemand die tijdelijk meehelpt dragen, ordenen en begrenzen, zodat een kind weer ruimte krijgt om zelf te sturen. Dit gebeurt niet door het overnemen van de taak, maar door het afstemmen van context, structuur en begeleiding. Een co-regulator verandert bijvoorbeeld het tempo, de ruimte, het materiaal, de regels, de wachttijd of de groepsindeling. De leerkracht observeert hoe een kind beweegt en waar het stokt, en stemt de context daarop af. Deze ondersteuning is relationeel van aard en altijd tijdelijk. Zij is gericht op het creëren van een situatie waarin het kind weer grip kan ervaren op zijn aandacht en handelen.

VOORBEELD
In een druk parcours twijfelt een kleuter bij een hogere stap. Hij zet een voet neer en trekt hem weer terug. Jij loopt rustig naar hem toe en houdt je hand naast zijn schouder, zonder hem aan te raken. Zijn lichaam ontspant zichtbaar. Hij merkt dat je er bent en dat het moment gedragen wordt. Dat kleine gebaar van nabijheid biedt voldoende veiligheid om de stap zelf te zetten. Jij neemt het niet over, maar creëert de voorwaarden waarin het kind zijn eigen beweging en regie kan hervinden.

Door gedrag te lezen als informatie over belasting ontstaat ruimte om kinderen te begeleiden op een manier die werkelijk aansluit bij hun behoeften.

Opdracht
Denk terug aan een moment waarin een van jouw leerlingen overbelast was. Wat deed jij toen? Veranderde dit het gedrag van het kind? 

Deel jouw antwoord in een reactie onder aan de pagina.