De vier modaliteiten

Modaliteiten zijn de verschillende manieren waarop kinderen deelnemen aan een bewegingsactiviteit. Het is als het ware de ‘insteek’ of motivatie waarmee een kind meedoet. Modaliteiten laten zien waarom een kind beweegt en wat het belangrijk vindt tijdens een activiteit. De modaliteit van een kind kan verschillen van dag tot dag en van activiteit tot activiteit, maar vaak heeft een kind wel een voorkeurs-modaliteit. Als ze de mogelijkheid hebben, zullen ze dit soort beweeggedrag laten zien.

Binnen het bewegingsonderwijs worden vier modaliteiten onderscheiden, vaak samengevat met de afkorting SLOV: sparren, leren, ontmoeten en vieren.

  • Sparren: het kind is gericht op winnen, competitie en uitdaging. Het wil doelen halen, beter presteren en grenzen verleggen.
  • Leren: het kind richt zich op het verbeteren van techniek en vaardigheden. Het wil begrijpen hoe iets werkt en zichzelf ontwikkelen.
  • Ontmoeten: het kind is bezig met contact maken, ontdekken en experimenteren. Het verkent materialen, anderen en zichzelf.
  • Vieren: het kind zoekt plezier, ontspanning en een gevoel van vrijheid. Het beweegt graag zonder druk, in een vloeiend en herhalend ritme.

VOORBEELD
Tijdens de gymles spelen de kinderen het spel “Kleurenjacht”. In de zaal liggen vier gekleurde vakken en één tikker probeert de andere kinderen te tikken. Wie getikt is, moet eerst een opdracht doen in een vak voordat hij weer mee mag doen.

Sam sprint meteen weg zodra het spel begint. Hij kijkt scherp naar de tikker en ontwijkt hem razendsnel. “Je krijgt me toch niet!” roept hij lachend, terwijl hij telkens net op tijd wegduikt. Voor Sam draait alles om winnen en zo lang mogelijk niet getikt worden.

Aan de andere kant van de zaal staat Noor in het gele vak. Ze is net getikt, maar dat vindt ze niet erg. Ze gebruikt het moment om haar sprongen te oefenen. Steeds opnieuw probeert ze netjes af te zetten en goed te landen. “Kijk juf, zo beter?” vraagt ze, terwijl ze geconcentreerd verder oefent.

Yara beweegt ondertussen samen met twee klasgenoten door de zaal. Ze rennen niet zo snel, maar gaan van vak naar vak om alles uit te proberen. “Kom, we gaan naar blauw!” zegt ze enthousiast. Ze lacht veel en vindt het vooral leuk om samen te spelen en nieuwe dingen te ontdekken.

Milan huppelt vrolijk rond tussen alle anderen. Hij maakt grote, overdreven sprongen en verzint er geluiden bij. Als hij getikt wordt, begint hij juist te lachen en maakt hij van de opdracht een grappig dansje. Voor hem draait het spel om plezier maken en lekker bewegen.

Opdracht
Denk aan jouw leerlingen. Zijn er leerlingen van wie je meteen een duidelijke voorkeursmodaliteit herkent? En zijn er ook leerlingen bij wie dit voor jou nog minder duidelijk is?

Beschrijf van beide een voorbeeld en leg uit waar je dat aan ziet.

Deel je antwoord in een reactie onder aan de pagina.