“Hij wil wel meedoen, maar het lukt gewoon niet.”
Een vakleerkracht bewegingsonderwijs vertelde mij eens over een leerling uit groep 5. Tijdens tikspelen werd hij vaak als eerste getikt. Bij balspelen miste hij regelmatig de bal. En bij klimmen of springen leek elke beweging meer moeite te kosten dan bij zijn klasgenoten.
Niet omdat hij niet wilde. Integendeel: hij deed zichtbaar zijn best.
Herken je dit in een van jouw kinderen? Dan kan er sprake zijn van Developmental Coordination Disorder (DCD). Kinderen met DCD ervaren vaak hardnekkige moeilijkheden in het organiseren en uitvoeren van gecoördineerde bewegingen. Activiteiten die voor leeftijdsgenoten relatief vanzelfsprekend verlopen – zoals een bal vangen, fietsen of een toestelpassage uitvoeren – vragen voor hen vaak meer bewuste controle en inspanning. Daardoor ontwikkelen deze kinderen vaak negatieve beweegverwachtingen en hebben ze de neiging om spel of sport activiteiten te vermijden.
Het hebben van DCD betekent echter niet dat deze kinderen niet kunnen leren bewegen. Het betekent vooral dat hun leerproces sterk afhankelijk is van hoe beweegsituaties worden ingericht en begeleid.
Juist hier sluit Neuromotor Task Training (NTT) op aan.
Motorisch gedrag als dynamisch proces
Binnen hedendaagse theorieën over motorisch leren wordt bewegen niet gezien als het resultaat van één onderliggende vaardigheid of functie. Motorisch gedrag ontstaat uit de voortdurende interactie tussen meerdere factoren:
- de persoon
(bijvoorbeeld lichaamsverhoudingen, motorische mogelijkheden, ervaring en motivatie) - de taak
(wat moet er precies gebeuren?) - de omgeving
(materiaal, ruimte, steunpunten, snelheid)
Motorisch gedrag ontstaat dus niet uitsluitend in het lichaam van het kind, maar in de wisselwerking tussen persoon, taak en omgeving.
De manier waarop een beweging op een bepaald moment wordt uitgevoerd noemen we motorische controle: de organisatie van beweging binnen een specifieke situatie.
Motorisch leren verwijst naar relatief duurzame veranderingen in die organisatie die ontstaan door ervaring en oefening. Zo worden geleidelijk stabielere coördinatiepatronen ontwikkeld.
Kleine veranderingen in taak of omgeving kunnen voor kinderen met DCD grote gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van een beweging.
De logica van Neuromotor Task Training
Neuromotor Task Training hanteert een taakgericht perspectief op motorisch leren. In plaats van te beginnen bij onderliggende functies zoals kracht, balans of coördinatie, vertrekt NTT vanuit de vraag:
Welke taak wil het kind leren uitvoeren?
Bijvoorbeeld:
- een bal vangen
- fietsen
- over een toestel springen
- een veter strikken
De taak vormt het uitgangspunt van de analyse. Vervolgens wordt onderzocht:
- wat deze taak precies vraagt
- waar de coördinatie binnen deze taak verstoord raakt
- en hoe taak en omgeving zó kunnen worden aangepast dat nieuwe beweegoplossingen mogelijk worden.
Dit taakgerichte perspectief sluit aan bij inzichten uit motor learning onderzoek en vertoont duidelijke overeenkomsten met ideeën uit ecological dynamics en de Constraint-Led Approach.
Afstemmen van constraints
Binnen dit perspectief speelt het afstemmen van zogenaamde constraints een belangrijke rol. Constraints zijn factoren die de mogelijke beweegoplossingen in een situatie begrenzen en structureren. Ze bepalen welke bewegingen waarschijnlijker of juist minder waarschijnlijk worden binnen een bepaalde taak.
Binnen Neuromotor Task Training wordt vaak onderscheid gemaakt tussen drie typen constraints:
Individuele constraints
bijvoorbeeld motorische mogelijkheden, ervaring, vermoeidheid, aandacht of motivatie van het kind
Taakconstraints
bijvoorbeeld afstand, snelheid, timing of nauwkeurigheidseisen van een beweging
Omgevingsconstraints
bijvoorbeeld materiaal, ruimte, ondergrond of beschikbare steunpunten
Individuele constraints zijn meestal niet direct te veranderen, maar bepalen wel hoe een kind reageert op veranderingen in taak en omgeving. In de praktijk wordt daarom vaak vooral gewerkt met aanpassingen in taak- en omgevingsconstraints.
Door deze factoren doelgericht te manipuleren verandert de informatie waarover een kind beschikt om zijn beweging te organiseren. Dit nodigt kinderen uit om andere beweegoplossingen te verkennen. In dat proces leren zij steeds beter relevante informatie uit de omgeving te herkennen en hun beweging daarop af te stemmen. Binnen benaderingen zoals ecological dynamics wordt dit vaak beschreven als het ontwikkelen van nieuwe perceptie-actie koppelingen.
Kinderen ontdekken zo gaandeweg welke handelingsmogelijkheden een situatie biedt – ook wel aangeduid als affordances. Sommige beweegoplossingen blijken uiteindelijk efficiënter dan andere. Door herhaalde ervaring kunnen deze oplossingen zich geleidelijk ontwikkelen tot stabielere coördinatiepatronen.
Voor kinderen met DCD is deze afstemming vaak extra belangrijk. Wanneer een taak te complex is, kan al snel verlies van controle of vermijdingsgedrag ontstaan. Toch wil je ook het leren stimuleren door uitdaging aan te bieden. Het doel is daarom om taken zo te organiseren dat er een werkbare balans ontstaat tussen uitdaging en uitvoerbaarheid.
In de praktijk
Stel dat een kind moeite heeft met het vangen van een bal. Voor dat kind kan de combinatie van afstand, snelheid en timing te complex zijn.
Door taak- en omgevingsconstraints aan te passen kan de taak beter hanteerbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld door:
- een grotere of zachtere bal te gebruiken
- de afstand van de worp te verkleinen
- de snelheid van de worp te verminderen
- de bal te laten rollen in plaats van te gooien
Door deze aanpassingen krijgt het kind meer tijd om de baan van de bal waar te nemen en zijn beweging daarop af te stemmen. Zo ontstaat een situatie waarin het kind een werkbare beweegoplossing kan ontdekken.
Wanneer de taak beter lukt, kan de moeilijkheid geleidelijk worden verhoogd, bijvoorbeeld door:
- de afstand weer iets te vergroten
- de snelheid van de bal te verhogen
- of meer variatie in het spel te introduceren.
Het begeleiden van kinderen met DCD
Voor kinderen met DCD is motorisch leren vaak een langzaam proces. Zij hebben meer oefenervaring nodig voordat een beweging stabiel en betrouwbaar wordt.
Voor vakleerkrachten bewegingsonderwijs, kinderfysiotherapeuten en andere professionals biedt Neuromotor Task Training een effectieve methode om kinderen met DCD te begeleiden.
In plaats van te denken in tekorten of fouten in het kind, is het goed om de taak en omgeving te analyseren. Soms kan een relatief kleine aanpassing al een groot verschil maken.
Zo maak je het mogelijk voor het kind om succeservaringen op te doen. Wanneer kinderen merken dat een taak wél lukt, groeit hun vertrouwen in hun eigen beweegmogelijkheden. Dat vergroot de bereidheid om opnieuw te oefenen en nieuwe uitdagingen aan te gaan.
Motorisch leren en motivatie versterken elkaar daarbij wederzijds.
Op die manier ontstaat een leerproces waarin kinderen stap voor stap nieuwe beweegoplossingen kunnen ontwikkelen.
Reflectievragen voor de praktijk
Wanneer je werkt met kinderen die moeite hebben met bewegen, kunnen de volgende vragen helpen om je eigen handelen te onderzoeken:
- Welke taak wil dit kind eigenlijk leren uitvoeren?
- Welke eisen stelt deze taak aan coördinatie, timing en aandacht?
- Waar lijkt de beweging vast te lopen: in het kind, in de taak of in de omgeving?
- Welke kleine verandering in taak of omgeving zou deze situatie beter uitvoerbaar kunnen maken?
- Hoe kun je een taak zo aanpassen dat er succeservaringen ontstaan, zonder dat de uitdaging verdwijnt?
- En hoe kun je taken zo variëren dat kinderen nieuwe beweegoplossingen blijven ontdekken?
Door met dit soort vragen naar beweegsituaties te kijken, ontstaat ruimte om leeromgevingen te ontwerpen waarin kinderen met DCD stap voor stap nieuwe beweegoplossingen kunnen ontwikkelen.