Er is iets ongemakkelijks aan het woord remedial.
Het suggereert al snel dat er iets gerepareerd moet worden: dat een kind buiten de norm valt, achterloopt en via extra begeleiding weer passend gemaakt moet worden. Alsof motorische ontwikkeling een rechte lijn is waarop ieder kind ongeveer tegelijk hetzelfde punt zou moeten passeren. Maar is dat eigenlijk wel hoe kinderen leren bewegen?
Laat ik meteen nuanceren: sommige kinderen hebben écht gerichte ondersteuning nodig. Wegkijken helpt niemand. Een kind met motorische problemen verdient aandacht, tijd en deskundige begeleiding. Soms zelfs specialistische hulp. Dat is geen stigmatisering, maar juist een manier om recht te doen aan wat een kind nodig heeft.
Toch wringt er iets in de manier waarop we vaak naar motorische problemen kijken. Het frame is riskant, omdat het het probleem snel volledig in het kind plaatst. Terwijl vastlopen in bewegen vaak ook iets te maken heeft met de taak, de omgeving, de instructie, het tempo van de activiteit of de sociale dynamiek.
Toch vind ik Motorische Remedial Teaching interessant. Niet als een soort reparatieprogramma, maar wanneer het wordt ingezet als preventie.
Motorische onzekerheid
Kinderen bewegen verschillend. Het ene kind is voorzichtig en analytisch, het andere impulsief en fysiek. Sommige kinderen zoeken spanning, anderen juist overzicht. Het ene kind groeit op met veel beweegervaring, terwijl een ander daar nauwelijks mee in aanraking komt. Dat soort verschillen horen erbij. Niet elk verschil hoeft meteen een probleem te zijn.
Een verschil wordt pas pedagogisch relevant wanneer het deelname, veiligheid, plezier of ontwikkeling structureel belemmert. Wanneer een kind steeds vaker afhaakt, niet meer durft mee te doen of buitengesloten raakt. Wanneer motorische onzekerheid langzaam het zelfbeeld begint te kleuren.
Voor sommige kinderen verandert “ik kan dit niet” geleidelijk in “ik ben niet sportief”. En uiteindelijk misschien zelfs in: “Ik ben iemand die beter niet mee kan doen.” Dat is zorgelijk, omdat bewegen nooit alleen maar bewegen is. Het is ook een manier om aanwezig te zijn in een groep, in een ruimte en uiteindelijk in de wereld.
Ik ben van mening dat we MRT kunnen inzetten om te voorkomen dat deze kinderen uitvallen.
Betekenisvol bewegen
Met MRT bedoel ik dan een doelgerichte en cyclische vorm van begeleiding waarbij je observeert waar een kind motorisch of in beweegdeelname vastloopt, analyseert wat daarin meespeelt, passende tussenstappen ontwerpt en steeds opnieuw kijkt of het kind weer beter kan deelnemen. Dat klinkt misschien technisch, maar in de kern is het juist heel pedagogisch.
De centrale vraag is namelijk niet: Welke vaardigheid beheerst dit kind nog onvoldoende? Veel relevanter zijn vragen als: durft dit kind mee te doen? Begrijpt het de opdracht? Overziet het de ruimte? Kan het de snelheid van het spel aan? Voelt het zich veilig genoeg om te proberen? Of heeft het al te vaak ervaren dat bewegen vooral mislukken betekent?
En de belangrijkste: Hoe krijgt dit kind weer toegang tot betekenisvol bewegen?
Met betekenisvol bewegen bedoel ik bewegen waarin een kind zich competent genoeg voelt om mee te doen, wordt uitgedaagd op een passend niveau en ervaart dat het ertoe doet binnen het spel of de activiteit.
In de praktijk
Neem bijvoorbeeld een kind dat telkens terugdeinst zodra er een bal in de buurt komt. Je kunt dat eenvoudig interpreteren als: “dit kind kan niet vangen.” Maar wanneer je nauwkeuriger kijkt, verschijnt vaak een veel rijker beeld. Ziet het kind de bal op tijd aankomen? Houdt het de handen klaar? Sluit het de ogen vlak voor het vangmoment? Beweegt het naar de bal toe of juist ervan weg? Is de bal misschien te hard, te groot of te onvoorspelbaar? Gaat het hier eigenlijk om techniek, of vooral om spanning en onzekerheid?
De oplossing is dan waarschijnlijk niet: nóg vaker oefenen met vangen. Veel betekenisvoller kan het zijn om eerst te werken met een ballon, met voorspelbare worpen, met meer afstand of één-op-één. Situaties waarin succeservaringen mogelijk worden. Pas later keer je terug naar de oorspronkelijke spelsituatie.
Verkleinen, vertragen, versterken en verbinden
Voor mij draait MRT in de praktijk om vier bewegingen: verkleinen, vertragen, versterken en verbinden. Je verkleint de taak zodat zichtbaar wordt waar een kind precies vastloopt. Je vertraagt de situatie door tijdelijk druk, snelheid of sociale spanning weg te nemen. Je versterkt het vertrouwen van het kind door succeservaringen op te bouwen. En uiteindelijk verbind je wat apart of aangepast geoefend is weer aan deelname in de groep.
Vooral die laatste stap is essentieel. MRT is niet geslaagd wanneer een kind een oefening geïsoleerd buiten de groep kan uitvoeren. Het wordt pas echt betekenisvol wanneer een kind daardoor vrijer, zekerder en met meer plezier kan deelnemen aan gezamenlijke beweegsituaties.
Wat vraagt dit van de leerkracht?
Goede MRT vraagt veel van de vakleerkracht. Niet alleen kennis van motorische ontwikkeling, maar ook observatievermogen, tact, geduld en pedagogische fijngevoeligheid. Je moet kunnen onderscheiden of een kind iets niet kan, niet durft, niet begrijpt, niet overziet of simpelweg niet meer wil proberen omdat het al te vaak mislukt is. Dat zijn wezenlijk verschillende dingen, die ieder om een andere reactie vragen.
Dat vraagt vakmanschap.
En dat vakmanschap ontwikkelt zich niet van de ene op de andere dag. Maar oefening baart kunst. Gebruik deze vragen om scherper te kijken naar wat een kind nodig heeft:
- Wat zie ik dit kind precies doen of vermijden?
- Welke motorische, sociale of emotionele factor lijkt hier mee te spelen?
- Welke tussenstap maakt succes waarschijnlijker?
- Hoe kan het kind oefenen zonder gezichtsverlies?
- Hoe brengen we wat geoefend wordt weer terug naar deelname in de groep?
Tegelijkertijd kan MRT nooit volledig op de schouders van de vakleerkracht rusten. Als we deze vorm van begeleiding serieus nemen, vraagt dat ook iets van scholen zelf: tijd, ruimte, overleg en samenwerking.
Samenwerking met groepsleerkrachten, intern begeleiders en ouders, maar soms ook met kinderfysiotherapeuten, ergotherapeuten, jeugdartsen of orthopedagogen — zeker wanneer een motorische hulpvraag hardnekkig, breed of opvallend beperkend is.
MRT of gewoon goede differentiatie?
Natuurlijk schuurt deze manier van begeleiden tegen gewone differentiatie aan. Want als MRT betekent dat je beter kijkt, kleinere stappen maakt, succeservaringen organiseert en kinderen helpt deelnemen, dan kun je terecht de vraag stellen: is dat niet gewoon goed bewegingsonderwijs?
Voor een deel wel.
Maar voor mij zit het verschil in de mate van precisie, systematiek en doelgerichtheid. Differentiatie maakt de les toegankelijker voor verschillen binnen de groep. MRT zoomt gerichter in op een kind dat structureel vastloopt, onderzoekt waar dat vastlopen vandaan komt en ontwerpt passende tussenstappen om deelname weer mogelijk te maken.
En dat heeft vaak niet alleen effect op dat ene kind.
MRT is namelijk niet los te zien van goed bewegingsonderwijs; het verdiept het. Een kind dat moeite heeft met mikken, laat ons iets zien over de opbouw van mikactiviteiten. Een kind dat chaotisch beweegt in spel, laat ons iets zien over overzicht, ruimtegebruik en spelbegrip. En een kind dat telkens afhaakt, laat ons iets zien over motivatie, veiligheid en eigenaarschap.
Kinderen die vastlopen, leggen vaak bloot waar onze lesomgeving preciezer, veiliger of rijker kan worden.
De norm is immers nooit volledig neutraal. Wat wij vanzelfsprekend vinden — tempo, durf, competitie, balvaardigheid of ruimtelijk overzicht — past sommige kinderen nu eenmaal beter dan andere. MRT helpt ons om die vanzelfsprekendheden zichtbaar te maken.
Tot slot
Motorische Remedial Teaching binnen het bewegingsonderwijs gaat voor mij niet over kinderen repareren. Het gaat over preciezer kijken. Naar wat een kind kan, vermijdt, durft, begrijpt en nodig heeft.
Hoe krijgt dit kind weer toegang tot bewegen? Tot spel? Tot plezier? Tot deelname? Tot vertrouwen in het eigen lichaam?
Dat is de echte opdracht van MRT.
Niet kinderen terugduwen naar de norm, maar hen helpen opnieuw mee te doen: veilig, uitdagend en betekenisvol.
Want een motorische achterstand is niet alleen een probleem dat opgelost moet worden. Het is ook een signaal dat de stap, de setting of de ondersteuning opnieuw ontworpen moet worden.
We repareren geen kinderen. We ontwerpen betere routes terug naar deelname.
Benieuwd hoe anderen dit zien: welke plek heeft Motorische Remedial Teaching bij jullie binnen het bewegingsonderwijs? En hoe voorkomen we dat het een reparatietraject wordt?