Zelfsturing begint niet bij het kind alleen

Wat de gymzaal laat zien over gedrag, grenzen en pedagogisch handelen

We vragen kinderen vaak om zichzelf te sturen op momenten waarop de situatie dat juist moeilijk maakt.

Dat zie je nergens zo duidelijk als in de gymzaal. Daar moeten kinderen wachten terwijl hun lijf nog in beweging is. Ze moeten luisteren terwijl ballen rollen, kinderen roepen en het spel nog in hun hoofd zit. Ze moeten stoppen met iets dat leuk is, schakelen naar een nieuwe opdracht, hun beurt afwachten, teleurstelling verdragen en opnieuw beginnen.

In de gymzaal zie je meer dan bewegen. Je ziet hoe kinderen omgaan met spanning, regels, prikkels, verlies, succes, snelheid en samenwerking. Je ziet ook wanneer dat mis gaat. Een kind blijft stuiteren terwijl de uitleg al begonnen is. Een ander praat door de instructie heen. Een derde loopt naar het materiaal voordat het mag.

Je kunt dat gedrag corrigeren. Soms is dat nodig. 

Maar als je alleen corrigeert, mis je misschien de belangrijkste vraag:

Wat vraagt deze situatie van dit kind, en is dat op dit moment haalbaar?

Daar begint de pedagogische betekenis van bewegingsonderwijs.  Zelfsturing groeit wanneer kinderen terechtkomen in situaties waarin stoppen, wachten, schakelen en opnieuw beginnen haalbaar én oefenbaar zijn.

De bal naast het kind

Misschien herken je deze situatie.

Groep 4 is aan het dribbelen met een bal. Ieder kind heeft een eigen bal. De leerkracht klapt in zijn handen en zegt:

“Ga op de grond zitten en leg de bal naast je neer.”

Dat klinkt eenvoudig. Toch lukt het veel kinderen niet goed. De bal ligt naast hen. Nog één stuiter. Nog even aanraken. Nog even rollen.

Voor de leerkracht kan dit eruitzien als niet luisteren. Maar voor het kind is het een ingewikkelde zelfsturingsopgave. Het kind zit nog in de beweging, maar wordt gevraagd te stoppen. Het moet de regel onthouden, de aandacht verplaatsen, de verleiding onderdrukken en overschakelen naar luisteren.

Dat is veel tegelijk.

Een bal naast het kind is geen detail. Het is een prikkel die wachten zwaarder maakt.

Wanneer de afspraak verandert in: “Als ik klap, leg je het materiaal weg en ga je op de bank zitten”, verandert de situatie. De bal ligt niet meer naast het kind. De prikkel is weg. Wachten wordt niet vanzelf makkelijk, maar wel haalbaarder.

Dat is pedagogisch handelen via de omgeving. 

Executieve functies zijn geen etiket

Executieve functies helpen kinderen om doelgericht te handelen wanneer de automatische piloot niet genoeg is. Ze spelen een rol wanneer een kind een impuls moet remmen, een regel moet onthouden, de aandacht moet verplaatsen of moet schakelen wanneer de situatie verandert (Doebel, 2020; Zelazo, 2020).

Vaak worden drie kernfuncties genoemd. Inhibitie helpt een kind om niet meteen te doen wat in hem opkomt. Werkgeheugen helpt om een regel of opdracht vast te houden. Cognitieve flexibiliteit helpt een kind om te schakelen: van spelen naar luisteren, van rennen naar wachten, of van het ene plan naar een ander plan (Howard et al., 2021; Zelazo, 2020).

Maar in de gymzaal lopen die functies voortdurend door elkaar. Een kind luistert niet in een lege ruimte. Het luistert terwijl er geluid is, terwijl anderen bewegen, terwijl het lichaam nog vol spanning zit en terwijl het materiaal soms letterlijk binnen handbereik ligt.

Daarom is voorzichtigheid nodig. Een kind dat niet luistert, materiaal pakt of blijft bewegen, laat niet simpelweg ‘zwakke executieve functies’ zien. Wat je ziet, is gedrag in een situatie.

Stel jezelf daarom de vraag: “Wat vraagt deze taak, deze ruimte, deze regel, deze groep en dit moment van dit kind?”

Een grens kan steun zijn

Een relationele blik betekent niet dat alles mag.

Een kind mag niet steeds door de uitleg heen praten. Het mag niet zomaar materiaal pakken. Het hoeft niet voortdurend de ruimte van anderen in te nemen. Grenzen blijven nodig, juist in een gymzaal waar fysieke en sociale veiligheid voortdurend in het gedrang kunnen komen.

Maar een grens hoeft geen afwijzing te zijn. Een grens kan steun zijn.

“Stop. Leg de bal weg. Kom op de bank zitten.”

Voor sommige kinderen is dat precies de buitenkant die zij tijdelijk nodig hebben. De volwassene helpt met stoppen, ordenen en opnieuw kiezen. 

Dat noemen we co-regulatie: eerst reguleert de volwassene mee. Steeds meer kan het kind meedenken.

“Wat doe je als ik klap?” “Waar leg je de bal neer?” “Wat helpt jou om te wachten?”

Later doet het kind het steeds meer zelf. Het hoort het signaal, legt het materiaal weg en gaat zitten.

Dat is de bedoeling: externe structuur wordt langzaam interne sturing. Goede structuur helpt een kind verder, zolang die steun stap voor stap wordt omgezet in meer zelfstandigheid (Muir et al., 2023; Sankalaite et al., 2021).

De leerkracht ontwerpt de situatie

In bewegingsonderwijs ben je niet alleen instructeur. Je ontwerpt de voorwaarden waaronder kinderen kunnen handelen.

Met ruimte, regels, materiaal, overgangen, instructie en feedback bepaal je hoeveel een kind tegelijk moet onthouden, remmen, kiezen of schakelen. Dat maakt de pedagogische opdracht concreet.

Een kortere instructie kan het werkgeheugen ontlasten. Een vaste plek voor materiaal kan verleiding verminderen. Een voorspelbare overgang kan schakelen ondersteunen. Een duidelijke looproute kan rust geven. Een rustige start kan spanning verlagen.

Dit zijn pedagogische keuzes, die mede bepalen of een kind overvraagd wordt, of juist kan oefenen met zelfsturing.

Elk kind en elke situatie benader je met één praktische vraag:

Moet ik ontlasten, ondersteunen of gericht oefenen?

Als de taak te complex is, ontlast je. Je maakt de situatie overzichtelijker, vermindert ruis of beperkt het aantal keuzes.

Als de taak haalbaar is, maar nog wankel, ondersteun je. Je doet voor, herinnert kort, gebruikt een vaste afspraak of benoemt vooraf waar het kind op kan letten.

Als er voldoende houvast is, oefen je gericht. Je kiest activiteiten waarin kinderen moeten stoppen, wachten, schakelen, samenwerken of hun eerste impuls remmen.

Corrigeren én begrijpen

De vraag is niet of we gedrag moeten corrigeren of begrijpen. Goed pedagogisch handelen doet allebei.

In de gymzaal kunnen patronen zichzelf versterken (Perone et al., 2021). Als een kind door duidelijke afspraken meer grip ervaart, lukt het vaker om te wachten, te stoppen of te schakelen. Dat succes geeft vertrouwen. Met meer vertrouwen durft het kind opnieuw te proberen. De leerkracht kan langzaam minder steun geven. Zo ontstaat een positieve beweging: meer grip, meer succes, meer vertrouwen en meer zelfsturing.

Het omgekeerde kan ook gebeuren. Een taak is te moeilijk. Het kind raakt de draad kwijt, gaat rondlopen, pakt materiaal, roept of haakt af. De leerkracht corrigeert. Het kind wordt gespannener. De grip wordt kleiner. Er is nog meer correctie nodig.

Zo kan een patroon ontstaan waarin spanning, correctie en verlies van grip elkaar blijven versterken (Howard et al., 2021; Perone et al., 2021).

Als hetzelfde patroon steeds terugkomt, is alleen corrigeren niet genoeg. Dan wordt de vraag:

Waar kunnen we de lus doorbreken?

Dat kan met een duidelijke grens. Op een ander moment helpt het om de taak kleiner te maken, de overgang rustiger te organiseren of het kind eerst weer te laten ervaren: dit lukt mij.

Zelfsturing gaat niet alleen over druk gedrag

Bij zelfsturing denken we snel aan het kind dat te veel doet: roepen, pakken, doorrennen, voordringen of blijven stuiteren. Maar zelfsturing wordt ook zichtbaar bij het kind dat juist niets meer doet.

Een leerling blijft tijdens de gymles aan de kant zitten. Hij zegt dat hij buikpijn heeft. Of dat hij zijn schoenen niet goed heeft gestrikt. Of dat hij “gewoon even niet wil”. 

Ook dan helpt dezelfde vraag:

Wat vraagt deze situatie van dit kind?

Heeft dit kind een kleinere stap nodig? Een duidelijker doel? Een veiligere plek om te beginnen? Een maatje? Meer tijd? Of is er meer aan de hand en is overleg met ouders, intern begeleider of zorg nodig?

Zelfsturing is dus niet alleen zichtbaar in impulsief gedrag. Ook terugtrekken, blokkeren of vermijden kan iets vertellen over de verhouding tussen kind, taak en omgeving.

Zelfsturing is geen lineair proces

Zelfsturing ontwikkelt zich niet in een rechte lijn. Een kind kan vandaag goed wachten en morgen opnieuw vastlopen, zonder dat er meteen sprake is van terugval. De situatie kan anders zijn: drukker, spannender, sneller of motorisch ingewikkelder (McCoy et al., 2022; Perone et al., 2021).

Een kind dat bij een mikspel rustig op zijn beurt wacht, kan bij een tikspel toch door anderen heen lopen. Niet omdat het “het niet geleerd heeft”, maar omdat tikspel meer oproept: snelheid, competitie, emotie en directe impulsen.

Variatie is daarom geen ruis. Variatie is informatie.

Wanneer lukt het wel? Wanneer lukt het niet? Wat is er anders aan de taak, de groep, de omgeving of de spanning van het kind?

Daar begint beter kijken.

De gymzaal is geen behandelkamer

De gymzaal maakt zelfsturing zichtbaar, maar maakt de leerkracht nog geen behandelaar.

Een vakleerkracht of groepsleerkracht hoeft geen klinische rol over te nemen. Specialistische zorg blijft nodig wanneer problemen ernstig, hardnekkig of breed aanwezig zijn. Juist daarom is het belangrijk om onderwijs en zorg zorgvuldig te begrenzen.

De gymzaal is wel een plek waar signalen vroeg zichtbaar worden. Je ziet hoe kinderen omgaan met wachten, verlies, spanning, snelheid, regels, samenwerking en opnieuw beginnen. Juist omdat gedrag in de gymzaal zo zichtbaar wordt, krijgt de professional kansen om vroeg af te stemmen.

Dat maakt bewegingsonderwijs pedagogisch waardevol.

De opdracht is niet om kinderen te diagnosticeren. De opdracht is om beter te kijken, preciezer af te stemmen en situaties zo in te richten dat zelfsturing  geleerd kan worden.

Tot slot

In de gymzaal leren kinderen niet alleen bewegen. Ze leren ook stoppen, wachten, kiezen, schakelen, teleurstelling verdragen en opnieuw beginnen. Maar dat gebeurt niet door hogere verwachtingen alleen. Het vraagt om een professional die kijkt naar de wisselwerking tussen kind, taak en omgeving, en die de situatie zo inricht dat zelfsturing stap voor stap kan groeien.

Soms begint pedagogisch handelen niet met een groot plan, maar met een kleine aanpassing in de situatie. Met een bal die niet naast het kind blijft liggen, maar op een andere plek waardoor wachten net iets haalbaarder wordt.

Wil je meer weten?

Bronnen

Bao, R., Wade, L., Leahy, A. A., Owen, K. B., Hillman, C. H., Jaakkola, T., & Lubans, D. R. (2024). Associations between motor competence and executive functions in children and adolescents: A systematic review and meta-analysis. Sports Medicine, 54(8), 2141–2156. https://doi.org/10.1007/s40279-024-02040-1

Doebel, S. (2020). Rethinking executive function and its development. Perspectives on Psychological Science, 15(4), 942–956. https://doi.org/10.1177/1745691620904771

Hill, P. J., McNarry, M. A., Mackintosh, K. A., Murray, M. A., Pesce, C., Valentini, N. C., Getchell, N., Tomporowski, P. D., Robinson, L. E., & Barnett, L. M. (2024). The influence of motor competence on broader aspects of health: A systematic review of the longitudinal associations between motor competence and cognitive and social-emotional outcomes. Sports Medicine, 54(2), 375–427. https://doi.org/10.1007/s40279-023-01939-5

Howard, S. J., Vasseleu, E., Neilsen-Hewett, C., de Rosnay, M., Chan, A. Y. C., Johnstone, S., Mavilidi, M., Paas, F., & Melhuish, E. C. (2021). Executive function and self-regulation: Bi-directional longitudinal associations and prediction of early academic skills. Frontiers in Psychology, 12, Article 733328. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2021.733328

McCoy, D. C., Koepp, A. E., Jones, S. M., Bodrova, E., Leong, D. J., & Deaver, A. H. (2022). An observational approach for exploring variability in young children’s regulation-related skills within classroom contexts. Developmental Science, 25(6), Article e13250. https://doi.org/10.1111/desc.13250

Muir, R. A., Howard, S. J., & Kervin, L. (2023). Interventions and approaches targeting early self-regulation or executive functioning in preschools: A systematic review. Educational Psychology Review, 35, Article 27. https://doi.org/10.1007/s10648-023-09740-6

Perone, S., Simmering, V. R., & Buss, A. T. (2021). A dynamical reconceptualization of executive-function development. Perspectives on Psychological Science, 16(6), 1198–1208. https://doi.org/10.1177/1745691620966792

Sankalaite, S., Huizinga, M., Dewandeleer, J., Xu, C., de Vries, N., Hens, E., & Baeyens, D. (2021). Strengthening executive function and self-regulation through teacher-student interaction in preschool and primary school children: A systematic review. Frontiers in Psychology, 12, Article 718262. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2021.718262

Zelazo, P. D. (2020). Executive function and psychopathology: A neurodevelopmental perspective. Annual Review of Clinical Psychology, 16, 431–454. https://doi.org/10.1146/annurev-clinpsy-072319-024242

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *