Meer bewegen is nog geen dynamisch onderwijs

De opkomst van de dynamische schooldag is een belangrijke stap vooruit. Kinderen krijgen meer ruimte om te bewegen, buiten te spelen en afwisseling te ervaren. Dat is winst. Maar het kan beter: écht dynamisch onderwijs.

Een dynamische schooldag gaat over de inrichting van de dag: zitten, bewegen, buiten zijn, spelen, leren en rust wisselen elkaar bewust af. Dynamisch onderwijs gaat een stap verder. Dan is bewegen onderdeel van wat kinderen leren, oefenen, ervaren en samen doen. 

Wanneer bewegen vooral bestaat uit korte tussendoortjes tussen zittende lessen door, verandert de schooldag wel aan de oppervlakte. Maar dan blijft de belangrijkste vraag liggen: waartoe bewegen kinderen, en wie kan op welke manier meedoen? 

Het tussendoortje heeft waarde, maar ook grenzen 

In de praktijk zien we vaak korte beweegmomenten tussen zittende taal- en rekenlessen: twee minuten springen, dansen of een kort spel achter de stoel. Het idee daarachter is duidelijk: kinderen komen in beweging en kunnen daarna weer rustiger en geconcentreerder verder werken.

Bewegen wordt hier ingezet om langer stil te kunnen zitten. Zitten op zichzelf is geen probleem. Rustig lezen, schrijven, luisteren of oefenen heeft een plek binnen goed onderwijs. Het probleem is zitten als de standaard.

Een beweegtussendoortje kan een waardevolle onderbreking zijn. Kinderen komen los van hun stoel, krijgen ruimte voor hun energie en kunnen daarna met hernieuwde aandacht verder. Als afwisseling tijdens langere periodes van zitten vervullen zulke momenten een duidelijke functie.

Tegelijkertijd is het belangrijk om helder te blijven over wat een beweegtussendoortje wel en niet is. Als korte onderbreking van een les kan het veel opleveren, maar als invulling van dynamisch onderwijs schiet het tekort. Beweegtussendoortjes zijn vaak kort, klassikaal en weinig gedifferentieerd. Kinderen zullen zich dankzij beweegtussendoortjes niet verder ontwikkelen op het gebied van motorisch leren of samenwerking. 

Dat hoeft ook niet. Niet elk beweegmoment hoeft een uitgebreid didactisch of motorisch doel te hebben. Bewegen kan op zichzelf al waardevol zijn: kinderen gebruiken hun lichaam, raken spanning kwijt, zijn even buiten of ervaren samen een ritme in de dag. Ook dat zijn legitieme doelen. Dan is het wel belangrijk om dat ook zo te benoemen. Even bewegen voor ontspanning, energie of frisse lucht is iets anders dan bewegingsonderwijs of dynamisch onderwijs.

Waartoe bewegen kinderen? 

Voor kinderen is bewegen niet alleen een middel om daarna beter te leren. Via bewegen ervaren zij ruimte, afstand, tempo, spanning, nabijheid, kracht, plezier en grenzen. Ze ontdekken wat hun lichaam kan, hoe anderen reageren en wat er gebeurt wanneer ze versnellen, afremmen, afstemmen of opnieuw proberen.

Voldoende tijd en aandacht voor bewegingsonderwijs is belangrijk om kinderen zulke ervaringen en vaardigheden mee te geven. Tegelijk beperken deze mogelijkheden zich niet tot de gymles. Ook tijdens de rest van de schooldag kan bewegen bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.

Bewegen wordt echter niet automatisch onderwijs. Daarvoor moet zichtbaar zijn wat kinderen leren, oefenen, ervaren of samen regelen. Je moet aan de activiteit kunnen zien wat kinderen ontwikkelen. Het gaat om situaties waarin kinderen iets kunnen kiezen, uitproberen, ontdekken of organiseren.

Het doel is daarom niet simpelweg meer beweging tijdens de schooldag. De vraag is vooral waartoe kinderen bewegen, hoe zij kunnen deelnemen en wat een activiteit toevoegt aan de onderwijstijd. Bewegen krijgt pas een onderwijsfunctie wanneer het meer is dan activiteit alleen.

Van meer bewegen naar dynamisch onderwijs 

Beweegtussendoortjes kunnen waardevol zijn, maar ze mogen niet de enige manier worden waarop een school haar dag dynamischer maakt. De uitdaging is om bewegen niet alleen naast het leren te plaatsen, maar er bewust mee te werken. Pas wanneer doelen zichtbaar worden in de activiteit én verschillende kinderen kunnen meedoen, wordt het onderwijs werkelijk dynamisch. 

Voor groepsleerkrachten is dat niet altijd eenvoudig. Zij moeten bewegen inpassen in een volle schooldag, met een groep waarin kinderen verschillend reageren op ruimte, tempo, prikkels en zichtbaarheid. Een kort tussendoortje is dan aantrekkelijk: het is snel, overzichtelijk en makkelijk te organiseren. Juist daarom is ondersteuning nodig van de vakleerkracht bewegingsonderwijs. Die kan helpen om scherper te kijken naar deelname, variatie, veiligheid en wat kinderen in de activiteit leren. 

Natuurlijk hoeft niet elke taal- of rekenles bewegend te zijn. Stil werken, lezen, schrijven en geconcentreerd oefenen hebben ook hun plaats. Maar het zou goed zijn als zitten niet langer de standaard is, maar dat er bewust wordt gekozen voor een vorm die past bij het doel.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *