Het dynamische systeem in de praktijk

Het dynamische-systeemmodel laat zich in de praktijk eenvoudig vertalen naar het OPA-model. Hiermee kun je bewegingsactiviteiten bijstellen. De verschillende ingrediënten om een activiteit passender te maken, zijn afkomstig uit:

  • de Omgeving (materialen, deelnemers en regels);
  • de Persoon (relaties, kwaliteiten en eigenheid);
  • de Activiteit zelf (uitdagingen, beweegmotieven, variaties en fasen van beweging of vaardigheid).

Deze drie elementen zijn de knoppen die je kunt gebruiken om een activiteit aan te passen en zo een beredeneerd aanbod van doel(en) te realiseren: bewegings-, regulerings- en belevingsdoelen.

De drie knoppen van het OPA-model

Inzicht in hoe deze factoren prestaties beïnvloeden, biedt aanknopingspunten om die prestaties te verbeteren door het aanpassen van factoren in leersituaties. Door de omgeving op bepaalde manieren in te richten, wordt gewenst bewegingsgedrag gestimuleerd en uitgelokt, en ongewenst bewegingsgedrag moeilijk of vrijwel onmogelijk gemaakt. De mogelijkheden tot variëren zijn te vinden in aanpassingen van de taak, het arrangement en het individu. Door ervaren bewegingsuitdagingen te koppelen aan de specifieke (te leren) vaardigheid, ontstaat een krachtige vakinhoudelijke combinatie (Beenhakker & De Groot, 2018, 2017), die naadloos aansluit op de constraints-led approach (De Groot & Verhagen, 2019).

Voorbeeld – Een arrangementsaanpassing

Het aanpassen van het arrangement, zoals het versmallen van het speelveld bij een tikspel, leidt tot meer tikken en meer ontwijken. Het is duidelijk dat het versmallen van het speelveld een ander effect heeft op het ‘beter leren tikken’ dan het minder diep maken van het veld. Arrangementsaanpassingen zijn sturende situaties die meer gerichte oefening mogelijk maken, met een grotere kans op succes (De Groot & Verhagen, 2019, 2018).

Vakinhoudelijke overwegingen

Het toverwoord voor motorische ontwikkeling is ‘bewegen’:

  • Door bewegen ontstaat de wisselwerking tussen de betrokken structuren.
  • Bewegen is nodig om patronen te kunnen vormen.
  • Bewegen is de motor van zelforganisatie.
  • Door bewegen wordt stap voor stap een gerichte motoriek geleerd.

Anders gezegd, bewegingservaring is essentieel voor de ontwikkeling van motorische vaardigheden. Het opdoen van bewegingservaring is contextspecifiek. Uit onderzoek blijkt dat elke vaardigheid binnen een specifieke context daadwerkelijk uitgevoerd moet worden. Kinderen die goed kunnen kruipen op vlakke ondergronden, hebben ervaring nodig om dit op schuine vlakken te kunnen. Pas door de ervaring – ook op een schuin vlak kruipen – kan de motorische vaardigheid ontwikkeld worden. Een kind heeft voldoende exploratiemogelijkheden nodig om kennis van de omgeving te generaliseren (Thelen e.a., 1994). Alleen verteld krijgen hoe bewegen gaat, is voor een kind niet voldoende om te leren bewegen. Het kind moet het ook daadwerkelijk doen. Zonder bewegen valt de motorische ontwikkeling stil. 

 

Verder verdiepen?

Voor wie zich verder wil verdiepen in de diverse theorieën over motorische ontwikkeling, is het boek van Netelenbos een goede keuze: ‘Motorische ontwikkeling van kinderen, handboek 2: theorie’. Dit document behandelt uitgebreid de interactietheorie van Piaget, de rijpingstheorie inclusief de theorieën van Gesell en McGraw, de leer- en informatieverwerkingstheorieën, en de non-lineaire dynamische-systeembenadering. Het is echter serieuze literatuur, niet iets voor een ontspannen leesmoment voor het slapengaan. Behalve als je snel in slaap wilt vallen 😉

Bewerking

Deze tekst is een bewerking van enkele passages uit het boek ‘Onderwijs in bewegen op de basisschool’. De (systeem)benadering die hierin wordt beschreven, vormt de basis van de ideeën die in dit boek zijn uitgewerkt en wordt tegenwoordig beschouwd als toonaangevend binnen de wetenschappelijke, didactische en methodische wereld van de lichamelijke opvoeding.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *