De brede opdracht van bewegingsonderwijs

Wie een gymles binnenloopt, ziet beweging. Kinderen rennen, springen, mikken, klimmen, balanceren, dansen, stoeien of spelen een tikspel. Er is geluid, tempo, plezier, spanning en soms ook gedoe. Dat hoort bij het vak. Juist in die levendigheid gebeurt veel.

Maar veel beweging betekent nog niet vanzelf veel leren. De vraag is wat kinderen in die activiteiten leren. Worden zij vaardiger? Leren zij met anderen meedoen? Ontdekken zij welke vormen van bewegen bij hen passen?

De kerndoelen voor bewegen en sport helpen om die opdracht scherper te zien. Ze geven geen lijstje met doelen voor één les, maar beschrijven waar het vak over langere tijd aan werkt. Een lesdoel gaat over wat je vandaag wilt oefenen. Een kerndoel gaat over de grotere lijn. Wat leren leerlingen, jaar na jaar, door goed bewegingsonderwijs?

In de gymles komen steeds drie vragen terug:

  1. Leren leerlingen beter bewegen?
  2. Leren zij samen met anderen deelnemen aan beweegsituaties?
  3. Leren zij ontdekken wat bewegen voor hen kan betekenen?

In een goede beweegsituatie gebeurt dit tegelijk. Kinderen lossen een beweeguitdaging op, stemmen af op anderen en merken iets over zichzelf als beweger. Een beweeguitdaging is de vraag die in de activiteit besloten ligt: hoe kom ik ergens overheen, hoe blijf ik in balans, hoe speel ik iemand aan, hoe ontwijk ik een tikker of hoe kom ik vrij?

Een kind leert dus niet alleen een sprong, worp of beweging. Het leert ook wachten, kiezen, hulp vragen, rekening houden met anderen, spanning hanteren, plezier ervaren en opnieuw proberen als iets nog niet lukt.

Bewegingsonderwijs gaat daarmee niet alleen over vaardigheid. Het gaat over leren meedoen aan spel, sport en bewegen, op een manier die past bij jezelf, bij de ander en bij de situatie.

Leren bewegen

De eerste opdracht van bewegingsonderwijs is dat kinderen vaardiger worden in bewegen. Dat betekent niet dat ieder kind overal even goed in moet worden. Het betekent wel dat kinderen genoeg verschillende ervaringen opdoen om met vertrouwen en plezier mee te kunnen doen.

In de gymles balanceren kinderen, springen ze, klimmen ze, mikken ze, rollen ze, zwaaien ze, stoeien ze, dansen ze en spelen ze spellen. Zo maken zij kennis met verschillende manieren van bewegen. Niet om overal hetzelfde niveau te halen, maar om te ervaren: hier kan ik in meedoen, hier kan ik in groeien, hier kan ik plezier aan beleven.

Zo bouwen zij aan een brede beweegbasis. Die basis helpt kinderen later makkelijker aan te sluiten bij spel, sport, buiten bewegen of bewegen in hun vrije tijd. Een kind dat alleen ervaring heeft met voetbal, maar weinig met klimmen, mikken, dansen of balanceren, krijgt maar een smalle toegang tot bewegen. Andersom hoeft een kind niet in alles uit te blinken. Het gaat om breed leren kennen, proberen en verder komen.

Leren bewegen is ook leren uitzoeken wat de situatie vraagt. Hoe kom ik over de kast? Hoe blijf ik vrij in een spel? Hoe houd ik balans? Hoe speel ik de bal zo dat mijn maatje ermee verder kan? Waar is ruimte? Wanneer moet ik versnellen en hoe rem ik af zonder te botsen?

Bij het springen over een kast draait het niet alleen om afzetten en landen. Het kind zoekt ook uit hoeveel vaart nodig is, waar het kan afzetten, wanneer hulp prettig is en welke hoogte op dat moment past. Soms is de lage kast precies goed. Soms kan de kast iets hoger. Soms is eerst één keer kijken al een belangrijke stap.

Voor de leerkracht zit hier veel vakmanschap. De activiteit moet meer doen dan energie geven. Zij moet kinderen uitnodigen om te oefenen, te proberen en verder te komen. Vaak zit het verschil in kleine keuzes: de afstand tot het doel, de hoogte van de kast, de grootte van het veld, het aantal spelers, de zachtheid van de bal, de breedte van de bank of de plek waar kinderen starten.

Kinderen blijven vaak beter proberen wanneer de uitdaging net boven hun huidige niveau ligt, maar nog bereikbaar voelt. Te makkelijk wordt saai. Als de opdracht te moeilijk voelt, kan een kind vooral bezig zijn met spanning, vermijden of gezichtsverlies voorkomen. De kunst is om een situatie te maken waarin kinderen denken: dit lukt misschien nog niet, maar ik kan het wel proberen.

Leren kiezen, aanpassen en blijven meedoen

Een tweede kant van leren bewegen is dat kinderen leren hoe zij een activiteit passend kunnen maken. Dat is meer dan ‘werken op je eigen niveau’. Het gaat om leren inschatten wat je nodig hebt om mee te kunnen doen en verder te oefenen.

De één begint bij een lagere kast, een grotere bal of een kortere afstand. De ander zoekt juist meer hoogte, een kleiner doel of een moeilijkere route. Beide kinderen kunnen in dezelfde les aan het leren zijn.

Dat is een belangrijk inzicht. Aanpassen is geen falen. Het is een manier om actief te blijven, grip te krijgen en verder te komen. Een kind dat leert kiezen, ontdekt ook iets over zichzelf. Wat durf ik al? Wat vind ik lastig? Welke hulp helpt mij echt? Wanneer maak ik het te makkelijk voor mezelf? Wanneer maak ik het juist te moeilijk?

In een tikspel kan een regel worden aangepast zodat iedereen beter in het spel blijft. In een mikspel kan de afstand verschillen. Bij balanceren kan het materiaal breder of smaller, hoger of lager worden. Bij klimmen kan een leerling een andere route kiezen. Niet iedereen hoeft hetzelfde te doen. Wel moet ieder kind betrokken blijven bij een uitdaging die past én prikkelt.

Differentiëren gebeurt daarom niet alleen vooraf. Het gebeurt ook tijdens de les. De leerkracht kijkt wat er gebeurt, ziet waar kinderen vastlopen en kiest wat nodig is. Soms krijgt een kind meer houvast. Soms wordt de opdracht moeilijker. Soms verandert niet de taak, maar de regel, het materiaal, de samenwerking of de rol van een leerling.

Zo leren kinderen niet alleen een activiteit uitvoeren. Ze leren ook hoe ze een beweegsituatie kunnen begrijpen, aanpassen en volhouden.

Samen bewegen

Bewegen gebeurt bijna nooit los van anderen. Zelfs bij een individuele opdracht is er meestal een groep om het kind heen. Kinderen wachten, kijken, lachen, moedigen aan, vergelijken, helpen, storen, onderhandelen of spreken elkaar aan.

Daarom is bewegingsonderwijs altijd ook sociaal onderwijs.

Samen bewegen betekent dat kinderen merken dat hun eigen handelen invloed heeft op anderen. Wie te hard gooit, kan het voor een ander onveilig maken. Wie steeds de bal opeist, maakt het voor medespelers moeilijker om mee te doen. Wie goed beveiligt, helpt een ander om iets spannends te proberen. Wie eerlijk tikt, houdt het spel speelbaar.

Samen bewegen gaat dus niet alleen over aardig zijn of ‘sportief gedrag’. Het gaat over meedoen in een gezamenlijke beweegsituatie. Het sociale leren zit in het bewegen zelf: in wachten, vrijlopen, beveiligen, afspreken, ruimte geven, eerlijk doorspelen en samen zorgen dat een activiteit blijft lopen.

Een teamindeling maakt nog geen samenwerking. Daarvoor moeten kinderen weten hoe zij ruimte geven, helpen, overleggen en het spel samen speelbaar houden. Hoe help je zonder het over te nemen? Hoe spreek je iemand aan zonder ruzie te maken? Hoe houd je een spel spannend én veilig?

Rollen kunnen daarbij helpen. Een kind kan spelleider zijn, beveiliger, helper, coach, observator of materiaalbaas. Maar zo’n rol werkt alleen als het kind weet wat het kan doen. ‘Jij bent coach’ is te algemeen. Beter is: ‘Kijk of je maatje goed klaarstaat voordat hij springt’ of ‘Geef één tip over waar hij naartoe kan lopen.’

Bij klimmen leert een kind niet alleen omhoogkomen. De groep oefent ook met wachten, ruimte geven, beveiligen en rekening houden met spanning. In een tikspel draait het niet alleen om ontwijken en versnellen. Kinderen oefenen ook met eerlijk tikken, rollen wisselen en samen zorgen dat het spel blijft lopen.

Samen bewegen blijft dus verbonden met de activiteit. Het gaat niet om sociaal gedrag in het algemeen, maar om gedrag dat de sprong, het spel, de route of de samenwerking mogelijk maakt. In de gymles merken kinderen zo dat bewegen niet alleen om eigen succes gaat. Je beweegt altijd in verhouding tot de ander.

Ontdekken wat bewegen voor jou kan betekenen

De derde opdracht wordt soms minder snel genoemd, maar is, naar ons idee, minstens zo belangrijk. Bewegingsonderwijs helpt kinderen ontdekken wat bewegen voor hen kan betekenen.

Voor het ene kind is bewegen vooral plezier en energie. Voor een ander kind is het spanning, uitdaging, expressie, ontspanning, samenwerken, presteren of erbij horen. Sommige kinderen zoeken snelheid, de competitie en de wedstrijd. Andere kinderen voelen zich meer thuis bij dans, klimmen, mikken, balanceren, buiten bewegen of rustig oefenen.

Niet ieder kind haakt aan bij dezelfde activiteit. Een kind dat steeds ervaart dat het de langzaamste, minst vaardige of meest onzekere is, kan bewegen gaan vermijden. Een kind dat merkt dat er meerdere manieren zijn om mee te doen, kan juist nieuwe ruimte ervaren: dit kan ook bij mij passen.

Daarom is een breed aanbod belangrijk. In spel, sport, dans, stoeien, buiten bewegen, avontuur, expressie, oefenen, samenwerken en regelen doen kinderen verschillende ervaringen op. Niet omdat ieder kind alles leuk moet vinden, maar omdat kinderen pas kunnen kiezen als zij verschillende mogelijkheden hebben verkend.

Betekenis ontstaat vaak in kleine momenten: een kind dat toch springt, een leerling die merkt dat dansen minder spannend wordt, een groepje dat plezier krijgt in samenspel of een kind dat ontdekt dat rustig oefenen ook bewegen is. Soms zit betekenis in spanning, soms in opluchting, soms in het plezier van samendoen en soms ook in het ongemak van bekeken worden. Juist zulke ervaringen helpen kinderen ontdekken wat bewegen met hen doet.

Daarbij helpt het om af en toe kort terug te kijken. Dat hoeft niet zwaar. Een paar vragen kunnen genoeg zijn:

  • Wat lukte vandaag beter dan eerst?
  • Wanneer voelde je spanning?
  • Wat hielp jou om toch mee te doen?
  • Welke rol paste goed bij jou?
  • Wat vond je leuker dan je had verwacht?
  • Wat zou je volgende keer anders proberen?

Zo groeit het beeld dat een kind van zichzelf als beweger heeft. Waar geniet ik van? Wat durf ik al? Wat vind ik spannend? Waar wil ik beter in worden? Wanneer heb ik hulp nodig? Welke vorm van bewegen past bij mij?

Een aangeleerde techniek is meestal niet genoeg om kinderen later in beweging te houden. De kans daarop wordt groter wanneer zij ervaren dat er ook voor hen manieren van bewegen zijn waarin zij kunnen meedoen en groeien.

De drie doelen komen steeds samen

In de praktijk zijn leren bewegen, samen bewegen en betekenis geven aan bewegen niet netjes van elkaar te scheiden. Ze lopen door elkaar heen.

Neem een tikspel. Daar draait alles om versnellen, afremmen, ontwijken, kijken en richting kiezen. Tegelijk oefenen kinderen met eerlijk tikken, omgaan met verlies en ook met winst, rollen wisselen en rekening houden met verschillen. Ondertussen merken ze iets over zichzelf: houd ik van snelheid, spanning en tactiek, of voel ik me prettiger als ik overzicht heb?

Neem klimmen. Een kind oefent kracht, balans, coördinatie en routekeuze. De groep oefent wachten, beveiligen, aanmoedigen en ruimte geven. Voor het kind zelf kan klimmen betekenen: ik durf meer dan ik dacht, ik vind hoogte spannend, ik heb steun nodig of ik wil dit nog een keer proberen.

Of kijk naar bewegen op muziek. Kinderen oefenen ritme, timing en lichaamscontrole. Ze stemmen af op elkaar, gebruiken elkaars ideeën en maken samen een vorm. Voor sommige kinderen wordt bewegen hier creatief of expressief. Voor anderen is het juist spannend om zichtbaar te zijn.

Juist die combinatie maakt het vak rijk. Kinderen oefenen met hun lichaam, met elkaar en met zichzelf. Ze leren bewegen, meedoen en betekenis geven op hetzelfde moment.

Wat betekent dit voor de (vak)leerkracht?

De leerkracht kiest niet alleen activiteiten. Hij of zij ontwerpt en creëert situaties waarin kinderen kunnen leren. Dat begint met kijken: wat gebeurt hier, wat vraagt deze activiteit en wat hebben deze leerlingen nu nodig?

Vier vragen helpen daarbij:

  1. Wat is de ‘beweeguitdaging’? Gaat het om mikken, balanceren, ontwijken, samenspelen, ritme, timing, kracht of ruimtegebruik? De beweeguitdaging staat hier tussen quotes omdat het hier wat anders wordt ingevuld dan gewoonlijk.
  2. Wat vraagt deze situatie sociaal van kinderen? Moeten zij wachten, samenwerken, helpen, beveiligen, coachen, eerlijk spelen of regels aanpassen?
  3. Wat kunnen kinderen over zichzelf ontdekken? Merken zij wat zij leuk, spannend, moeilijk, uitdagend of passend vinden?
  4. Wat moet ik aanpassen zodat de uitdaging klopt? Moet het materiaal anders, het veld kleiner, de regel eenvoudiger, de rol duidelijker of de hulp dichterbij?

Vaak zit het verschil in kleine leskeuzes. Zet je de kast lager of hoger? Maak je het veld groter of kleiner? Laat je kinderen zelf tweetallen kiezen of stel je ze bewust samen? Geef je één vaste regel of laat je de groep een regel veranderen? En, ook niet onbelangrijk: grijp je direct in of kijk je nog even wat kinderen zelf oplossen?

Veel bewegen blijft belangrijk. Kinderen hebben tijd nodig om te proberen, te herhalen en beter te worden. Time on taskis belangrijk, van meer en vaker doen word je beter. Maar veel beweegtijd is niet genoeg.

De activiteit moet ook richting geven. Kinderen moeten kunnen (op)merken wat zij oefenen, waar zij in groeien en hoe zij samen met anderen kunnen blijven meedoen.

Effectief bewegingsonderwijs betekent niet dat elke minuut vol moet zitten of dat alles meetbaar moet zijn. Het is goed kijken wat leerlingen nu nodig hebben om verder te komen, zelf keuzes te leren maken en met meer vertrouwen te bewegen.

In het kort

Een goede les bewegingsonderwijs is geen verzameling losse activiteiten. Kinderen proberen, kiezen, stemmen af en beginnen opnieuw. Ze merken wat lukt, wat spannend is en welke vormen van bewegen bij hen passen.

Zo helpt onderwijs in bewegen kinderen om hun weg te vinden in spel, sport en bewegen. Vandaag in de zaal, straks op het plein, bij de sportclub, buiten of ergens anders. Met meer vertrouwen, meer plezier en meer gevoel voor zichzelf en de ander.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *